Pagina's

Monday, April 20, 2026

 Amsterdamse feestbeesten


Het zal je niet ontgaan zijn: Amsterdam is jarig.

Zelf ben ik geen geboren Amsterdammer. Ik noem frietjes gewoon frietjes en zeg kei vaak “kei

vaak”.

Noem me import — of, dat klinkt toch net wat exotischer: een exoot.

Maar ik ben niet van plan om uit of verder te vliegen.

En ook al woon ik hier al bijna de helft van mijn leven, en heb ik fanatiek rondjes gefietst;

een groot deel van de stad bleef lang onbekend terrein.

Tot ik bij de dierenambulance ging werken. Toen leerde ik Amsterdam pas écht kennen.

De versie van de stad waar je binnenkomt via achterom, binnendoor,

het balkon van de buren of vanachter het keukenkastje.

Elke rit biedt een ander perspectief op de stad.

Van de flat waar een kaketoe drie verdiepingen bij elkaar vloekt (“kutwijf, ja jíj!”),

tot de mevrouw in satijnen badjas die haar weggelopen slang lispelend “Henk, hiér!" toebijt.

Een dakterras met kippen. Een balkon met een geit. Een schorpioen op het nachtkastje.

Van vergulde kroonluchters tot plastic flamingo’s:

Amsterdammers en hun interieur zijn zelden subtiel,

maar bieden vaak inspiratie voor je volgende verbouwing of themafeestje.

Er wordt vaak gesuggereerd dat Amsterdammers bot zijn.

Wellicht.

Tot je hun zieke kat komt ophalen.

Dan gaan de deuren open.

Dan krijg je tranen. Of juist een zakje paprikachips.

Maar vooral: een goed gevoel.

Soms red je een hond. Soms een huwelijk.

Soms een hele dure lamp waar een vleermuis enthousiast rondjes omheen vliegt.

Soms word je opgeroepen voor een slang en tref je een lekke fietsband.

Soms kom je voor de kat z’n poes en blijf je beleefd hangen

voor een diashow van de laatste vakantie op Ameland.

Je staat gefrustreerd stil op de eindeloos afgesloten ring,

of je slalomt over de Albert Cuyp,

waar iedereen haast heeft — behalve de kat die midden op de Van Wou ligt te zonnen.

Je komt in flats waar elke verdieping naar een ander continent ruikt,

en in trappenhuizen waar je tegelijk verwikkeld raakt

in een burenruzie én de achtervolging van een ontsnapte cavia.

We rijden de stad door onderweg naar dieren,

maar vinden stiekeme straatjes, verborgen binnentuinen, hofjes vol verhalen.


Je gaat op pad met collega’s, maar krijgt van alle kanten bijval:

Van mensen in uniform, mensen in pyjama

en mensen die beide quasi nonchalant combineren.

Van de brandweer op een hoog balkon.

Van de politie tijdens een nachtelijke klopjacht.

Van Rijkswaterstaat op de A10.

Van hele buurten, voetbalteams, theehuizen en schoolklasjes.

Je moet soms even door de buitenkant heen bijten,

maar fietfieuw: Amsterdam is liefde.

Een stad die moppert, toetert, schreeuwt, sust —

en ondertussen gewoon voor je klaarstaat.

Zonder franje. Maar mét gevoel.

Een stad die met trots haar 750e verjaardag mag vieren.

Goed, terug naar mij — ik ben immers ook bijna jarig.

Import, een exoot met halfzachte G.

Maar daarin in uitstekend gezelschap:

De zwaan. De halsbandparkiet. De huiskat.

Zelfs de stadsduif.

Allemaal ooit nieuw in de stad.

Allemaal gebleven.

Amsterdamse feestbeesten.

No comments:

Post a Comment